Stengelsla uit eigen tuin
Inleiding
Stengelsla (of ook wel aspergesla) is amper bekend, maar is een prima kandidaat voor een kleine tuin zoals mijn Tiny Garden. Deze bijzondere verschijning, met de Latijnse naam Lactuca sativa var. angustana, komt oorspronkelijk uit China, waar het een van de meest geliefde groenten is. In het Engels wordt het ‘Celtuce’ genoemd. Die laatste naam is eigenlijk een hele goede omschrijving, want het is een samentrekking van celery (bleekselderij) en lettuce (sla). Dat dekt de lading precies, want de smaak houdt het midden tussen het frisse van sla, het nootachtige van selderij en, met een beetje fantasie, de zachte smaak van asperge.
Leuk weetje:
waarom is de Latijnse naam voor sla Lactuca? Dat komt van het woord ‘lac’, wat melk betekent.
Als je de stengel van je aspergesla oogst of doorsnijdt, zie je direct een wit, melkachtig sap tevoorschijn komen. Vroeger werd dit sap ook wel “sla-opium” (Lactucarium) genoemd. Geen zorgen, het is volledig legaal en je gaat er niet van hallucineren! Wel heeft dit stofje een heel licht kalmerende en pijnstillende werking.
De oude Romeinen aten daarom vaak sla aan het einde van de maaltijd om beter te kunnen slapen.
Normaal gesproken baal je als moestuinder als je sla doorschiet en een lange stengel vormt, want dan wordt het blad bitter. Bij aspergesla is dat omhoog groeien juist precies de bedoeling. Het is een eenjarig gewas dat speciaal is veredeld om een dikke, vlezige stengel te maken. De levenscyclus begint als een normaal slaplantje met een rozet van bladeren op de grond. Naarmate de plant groeit, strekt hij zich uit en groeit de stengel recht omhoog, soms wel tot een halve meter. Als je bladeren van onderaf plukt, dan blijft bovenop een toefje blad staan, waardoor de planten eruitzien als miniatuur palmbomen. Uiteindelijk zal de plant daadwerkelijk gaan bloeien met gele bloemetjes en zaad vormen, waarna hij afsterft. Maar voordat het zover is, heb jij die heerlijke stengel al geoogst en opgegeten.


Zaaien van stengelsla
Stengelsla houdt niet van de warmte rond de langste dag. Het is een echte ‘koele’ groeier. Dit houdt in dat je eigenlijk twee belangrijke zaaiperiodes hebt: het vroege voorjaar en de nazomer tot in de herfst. In het midden van de zomer, wanneer de dagen lang en heet zijn, heeft het gewas de neiging om direct bloemen aan te maken in plaats van blad, wat zonde zou zijn van je inspanningen.

Gebruik bij voorkeur een zaaitray met niet te kleine modules of p9-potjes . Vul deze met een luchtig en voedzaam zaaimedium. Leg in elke cel drie tot vier zaadjes. Je hebt dan de meeste kans dat er in ieder geval 1 zaadje opkomt. Zaadjes van sla hebben licht nodig om te ontkiemen, dus je moet ze slechts heel spaarzaam afdekken met de zaaigrond.
Let goed op de temperatuur, want hier maken veel beginners een fout. Sla houdt niet van warmte tijdens het kiemen. Als de temperatuur boven de 20 tot 25 graden komt, gaan de zaden in een soort slaapstand en gebeurt er niets. Zet je zaaitray dus niet op de vensterbank boven de verwarming, maar op een koelere, lichte plek. Een temperatuur rond de 10 tot 15 graden is ideaal. Onder de juiste omstandigheden zie je al na drie tot zeven dagen de eerste sprietjes bovenkomen. Zodra de zaailingen goed zichtbaar zijn en hun eerste ‘echte’ blaadjes beginnen te vormen, ga je uitdunnen. Je knipt met een schaartje de zwakste plantjes weg, zodat er in elk potje of vakje maar één sterke zaailing overblijft. Dit uitdunnen is essentieel om een krachtige plant te krijgen die straks die gewilde dikke stengel kan vormen.

Planten van stengelsla
Na 20 tot 30 dagen zijn de zaailingen groot genoeg om uitgeplant te worden. Je herkent een plantklaar exemplaar aan een stevig wortelkluitje en een mooi rozetje van vier tot vijf blaadjes. Wacht niet te lang met uitplanten, want als de wortels in het potje bekneld raken, kan de plant te vroeg besluiten om door te schieten zonder eerst een dikke basis te vormen.
Bij het uitplanten geef je de aspergesla de ruimte. Hoewel de plant vooral de hoogte in gaat, heeft hij ruimte nodig om die dikke stam te ontwikkelen. Houd een plantafstand aan van ongeveer 25 tot 30 centimeter rondom de plant. Als je tuiniert in de vaste vakken van 30 bij 30 centimeter, dan zet je één plant per vak. Heb je grotere vakken van 40 bij 40 centimeter, dan kun je er eventueel twee diagonaal tegenover elkaar zetten, maar één plant per vak levert vaak een dikkere stengel op.


Kies een standplaats in de zon of halfschaduw. Aspergesla houdt van een voedzame, vochthoudende grond. Omdat het een bladgewas is dat snel groeit, mag de grond niet uitdrogen. Plant de kluitjes even diep als ze in het potje stonden; als je ze te diep plant, kan de basis van de stengel gaan rotten.
Dit gewas is overigens perfect geschikt voor het kweken in potten. Omdat de planten smal en hoog groeien, nemen ze op een balkon weinig vloeroppervlak in beslag. Een pot met een diameter van 20 centimeter is al voldoende voor één mooie plant.


Oogsten van stengelsla
Het oogsten van aspergesla is een feestje dat eigenlijk in twee fases verloopt. Terwijl de plant groeit, vormt hij langs de stengel steeds nieuwe bladeren. De jonge blaadjes onderaan de plant kun je tijdens het groeiseizoen al plukken. Doe dit met mate, zodat de plant genoeg energie houdt om te groeien, maar zie het als een lekkere extra voor in je salade. De echte hoofdprijs is natuurlijk de stengel zelf.
Je kunt zien dat de aspergesla klaar is voor de hoofdoogst als de stengel ongeveer 30 tot 40 centimeter lang is en een diameter heeft van 3 tot 5 centimeter. Het is cruciaal om te oogsten vóórdat de bloemknoppen bovenin de plant zich openen. Zodra de plant gaat bloeien, wordt de stengel namelijk hol en vezelig, en gaat de smaak hard achteruit. Gemiddeld is dit moment zo’n 65 dagen na het uitplanten bereikt.
Je oogst de plant door de stengel vlak boven de grond af te snijden met een scherp mes. In tegenstelling tot sommige andere slasoorten, groeit aspergesla niet meer aan na de hoofdoogst; het is een eenmalige oogst per plant. Haal na het oogsten de wortelkluit uit de grond en gooi deze op de composthoop om ruimte te maken voor je volgende teelt.
Na de oogst is de verwerking erg belangrijk. De buitenkant van de stengel is namelijk hard en bevat wit melksap dat bitter kan smaken. Je moet de stengel daarom goed schillen, net zoals je bij witte asperges zou doen, maar dan nog iets rigoureuzer. Schil net zo lang tot je voorbij de witte randjes bent en de glazige, lichtgroene kern ziet. Die kern is sappig, knapperig en heerlijk mild van smaak. Je kunt de geschilde stengel in plakjes of reepjes snijden en zowel rauw eten als kort roerbakken.
Ongeschilde stengels bewaar je in de groentela van je koelkast; daar blijven ze zeker een week goed. Als je ze in een vochtige theedoek wikkelt, blijven ze nog langer knapperig

Teelt en verzorging
Aspergesla is over het algemeen een sterk ras en minder gevoelig voor sommige kwalen die kropsla wel treffen, zoals smet (het rotten van de krop bij vochtig weer), omdat de plant open en luchtig groeit. Er zijn in Nederland nog niet heel veel specifieke rassen-namen in omloop voor de hobbytuinder; vaak koop je zaden simpelweg onder de naam ‘Aspergesla’ of ‘Celtuce’. Als je Chinese zaden tegenkomt, heet het vaak ‘Wosun’.
Diana van Diana’s mooie moestuin heeft wel eens een variëteit Celtuce ‘Purple Sword’ weten te bemachtigen. Zelf zag ik nog ergens een variëteit Celtuce ‘Summer 38’. Als je zoekt op internet kun je het beste de Engels naam Celtuce gebruiken.
De grootste vijand van je jonge aspergesla is, net als bij gewone sla, de naaktslak. Vooral direct na het uitplanten zijn de jonge, sappige blaadjes een onweerstaanbaar buffet voor slakken. Houd je planten in die fase dus goed in de gaten en bescherm ze indien nodig. Later in het seizoen kunnen bladluizen zich soms in de top van de plant nestelen, tussen de jonge blaadjes. Dit kun je vaak eenvoudig oplossen door ze er met een straal water af te spuiten.
Het allerbelangrijkste in de verzorging is de watergift. Aspergesla heeft een hekel aan droogte. Als de plant te weinig water krijgt, schiet hij in de stress. Het gevolg is dat hij veel te snel bloemen wil aanmaken en dat de stengel taai en draderig wordt in plaats van sappig. Zorg dus voor een constante vochtigheid in de bodem, zeker als je in potten kweekt. Vermeerderen doe je uitsluitend via zaad. Omdat het eenjarigen zijn en de plant sterft na de bloei, heeft stekken of scheuren geen zin. Mocht je zaden willen winnen voor volgend jaar, laat dan één plant staan en wacht tot deze volledig uitgebloeid is en pluisjes vormt, vergelijkbaar met een paardenbloem. Die pluisjes bevatten de zaden.
Pas op met doorschieten
(Verhoogde) bakken warmen sneller op dan de volle grond, vooral in de lente en zomer. Omdat stengelsla beter groeit bij koele temperaturen, is het risico op doorschieten in bakken groter. Om dit te voorkomen, kun je een schaduwrijk plekje kiezen of de planten beschermen met een licht doorlatend doek of net.

Stengelsla in de opvolgingsteelt
De twee groeiperioden vóór en na de langste dag sluiten goed aan bij opvolgingsteelt. Je kunt stengelsla dus zowel in de eerste als in de tweede seizoenshelft zelf telen.
Op de pagina van de opvolgingsteelt kun je zelf combinaties maken die goed bij jou passen.