NPK is plantenvoedsel
Voedsel is harde noodzaak
Elk levend wezen heeft voedsel nodig. Dat geldt voor jezelf, je kinderen, je huisdier en ook voor je planten. Maar dieren en mensen kun je voeden door ze rechtstreeks eten toe te dienen. Hap, slik, weg!
Planten kun je niet op die manier voeden. Planten zoeken zelfstandig met hun wortels in de bodem naar de juiste bouwstoffen (nutriënten). Als ze echter in een bodem staan waarin weinig bodemleven zit, of waarin ze niet de juiste nutriënten kunnen vinden, dan groeit de plant slechter, geeft minder oogst of toont ziekteverschijnselen.

Net zoals je voor jezelf en je gezin het beste wilt, wil je dat natuurlijk ook voor je planten. Maar waar mensen en dieren het kunnen aangeven als ze honger hebben, is dat bij planten wat lastiger. Deze pagina helpt je te begrijpen wat ze nodig hebben.
Slow cooking (de natuurlijke weg)
Plantenvoeding vind je van nature in mest van koeien, paarden, kippen of wormen. Maar ook in compost of organisch materiaal (zoals gevallen bladeren) dat nog niet verteerd is.
Dat soort meststoffen zijn echter niet direct door planten te gebruiken. Net zoals de lepel met mestkorrels op de afbeelding hierboven niet werkt, werkt het ook niet om een plant een schep verse koeienpoep voor te houden. De plantenwortels kunnen nog niets met dit grove organische materiaal.
De materialen moeten eerst door het bodemleven worden “gekookt”. Bacteriën, schimmels, microben en wormen zetten het ruwe materiaal beetje voor beetje om naar hapklare nutriënten die wél door de wortels opgenomen kunnen worden (zie de buitenste rand van het schema bovenaan deze pagina). Dat is een langzaam proces, een soort ‘slow cooking’. De planten gebruiken deze nutriënten vervolgens voor groen blad, stevige stengels en mooie bloemen of vruchten.
Na verloop van tijd zal al het organisch materiaal in je bodem zijn omgezet en ‘opgegeten’. Dan is nieuwe voeding noodzakelijk.
Fast food (met een beetje slow cook)
In de handel kun je allerlei zakken en dozen met mestkorrels kopen. Dat kunnen kunstmestkorrels zijn (gemaakt via chemische processen) of organische mestkorrels (gemaakt van natuurlijke grondstoffen).
Het voordeel van deze korrels is dat de belangrijkste bouwstoffen (de ‘macro-nutriënten’) vaak al in hapklare vorm beschikbaar zijn. Zodra de korrels na het strooien nat worden, komen deze nutriënten vrij en kunnen de planten er direct over beschikken.
Op elke verpakking van mest is in de Europese Unie verplicht aan te geven hoeveel er van elke voedingsstof in zit. Dat gebeurt met de bekende “NPK-code”.

De NPK-code ontcijferd
Op mijn zak organisch mest staat bijvoorbeeld: NPK 8-3-9 +2% MgO.
De letters N, P en K zijn de scheikundige afkortingen voor de drie macro-elementen die elke plant nodig heeft om te overleven. Ze heten ‘macro’ omdat de plant hier relatief veel van nodig heeft, in tegenstelling tot ‘sporenelementen’ (zoals ijzer) waar maar een snufje van nodig is. De cijfers 8-3-9 geven het percentage van het gewicht weer:
- N = Stikstof (8%): De groeimotor. Zorgt voor de groei van blad en stengel.
- P = Fosfor (3%): De bouwsteen. Cruciaal voor wortelontwikkeling, bloemvorming en vruchtontwikkeling.
- K = Kalium (9%): De beschermer. Zorgt voor stevigheid, weerstand en waterhuishouding.
- MgO = Magnesium (2%): Zorgt voor de diepgroene kleur van het blad (niet in elke mest aanwezig).
Bij elkaar opgeteld is dat 8 + 3 + 9 + 2 = 22% aan direct opneembare nutriënten. Dit is de snelle hap.
Naast die 22% snelle voeding zit er in deze zak ook nog 40% organische stof. Dit is afkomstig van bijvoorbeeld druivenpittenmeel, beendermeel en resten uit de voedselindustrie. Deze organische stoffen moeten, net als bij de ‘slow cooking’, in de grond door het bodemleven worden omgezet naar bruikbare voeding.
Met deze organische mestkorrels heb je dus snel beschikbare nutriënten, langzame nutriënten én een bodemverbeteraar in één.
Het verschil met kunstmest
Kunstmest levert vaak alleen de snelle NPK-hap, maar mist de organische stof voor de lange termijn. De plant eet direct, maar de bodem krijgt niets en verarmt op den duur.
En nu nog wat Yakult of probiotica
Wat de modernere organische meststoffen bijzonder maakt, is de toevoeging van mycorrhizae (goedaardige schimmels), bacteriën en gisten. Je ziet dit vaak op de verpakking staan.
Deze micro-organismen komen tot leven zodra de korrels in de grond nat worden. Ze hechten zich aan de plantenwortels en werken ermee samen. Micro-organismen helpen de plant om veel meer voedingsstoffen en water uit de bodem te halen dan de plant alleen zou kunnen. Ze vormen dus een essentieel onderdeel van die “buitenste cirkel” op het schema bovenaan deze pagina.
Waarom zoveel soorten mest?
Er bestaan enorm veel soorten mestkorrels. In tuincentra zie je soms door de bomen het bos niet meer. Is dat nodig?
Als voorbeeld heb ik hier een pak ‘Universele tuinmest’ met NPK 7-4-6. Daarnaast staat een pak speciale mest voor ‘Coniferen & Taxus’ met NPK 7-3-6.
Kijk je puur naar de NPK, dan is het verschil onmerkbaar. Je coniferen zullen prima groeien op de universele mest. Het prijsverschil zit hem vaak in de ‘slow cook’ ingrediënten. Aan coniferenmest is vaak hoornmeel of hoefmeel toegevoegd. Dat is ‘extra slow food’ en geeft over een heel lange periode voeding af, wat past bij bomen die jarenlang op dezelfde plek staan.
Signalen van gebreken
Hoe stel je vast of je planten een tekort hebben aan N, P of K? Omdat bodemonderzoek niet altijd praktisch of zinvol is, kun je ook leren kijken naar je planten. Een plant ‘praat’ namelijk met zijn bladeren. Als er een tekort is aan N, P of K, laat de plant specifieke verkleuringen zien. Dat betekent dat als de plant een tekort heeft, hij de laatste restjes voeding uit de oude bladeren (onderaan) haalt en naar de nieuwe groeipunten (bovenaan) stuurt om te overleven.
Regel 1: Zie je verkleuring bij de onderste, oude bladeren? Dan is het vaak een N, P of K tekort.

1. Tekort aan Stikstof (N) → “De Kanarie”
Stikstof zorgt voor de groene kleur (chlorofyl).
- Het signaal: De plant kleurt egaal lichtgroen tot geel.
- De plek: Het begint bij de onderste, oudere bladeren. Die worden geel, verdorren en vallen af. De plant groeit ook traag en oogt sprieterig.
- De diagnose: De groeimotor hapert.

2. Tekort aan Fosfor (P) → “De Paarse Gloed”
Fosfor is nodig voor de interne chemie en DNA.
- Het signaal: De bladeren krijgen een doffe, donkere, soms blauw-groene kleur. Vaak zie je een paarse of roodachtige verkleuring aan de onderkant van het blad of langs de nerven.
- De plek: Ook dit zie je vooral bij de oudere bladeren. De plant blijft klein (dwerggroei).
- De diagnose: De bouwstenen zijn op. (Let op: bij koud voorjaarsweer kleuren bladeren soms ook paars door kou, dat trekt vanzelf weg).

3. Tekort aan Kalium (K) → “Het Aangebrande Randje”
Kalium regelt de waterhuishouding in de cellen.
- Het signaal: De randen van de bladeren worden geel en daarna bruin en droog, alsof ze aangebrand zijn. In het blad zelf kunnen dode (bruine) vlekjes ontstaan.
- De plek: Wederom bij de oudere bladeren.
- De diagnose: De bescherming is weg, de plant droogt aan de randen uit.
Let op: De pH-valkuil Zie je deze gebreken? Gooi er niet direct een zak mest tegenaan. Soms zit er wel genoeg voeding in de grond, maar is de zuurtegraad (pH) te laag of te hoog. De plant kan de voeding dan niet ‘pakken’. Bij twijfel: geef eerst wat kalk (om de pH te verhogen) of organische mest (bevat vaak alles).